Pelgrimspad

 

Vader God U ken my naam
My binnegoed en buitestaan
My grootpraat en my klein verdriet
My vashou aan als wat verskiet.

U ken my vrese en my hoop
Die pad wat ek so kaalvoet loop
Die pad het U lankal berei
U maak die pad gelyk vir my.

Alle pelgrims keer weer huistoe
Elke swerwer kom weer tuis
Ek verdwaal steeds op U grootpad
Soekend na U boardinghuis.

Moeder God U ken my waan
My ego en my regopstaan
Die drake waarteen ek bly veg
U wys my altyd weer die weg.

U het my met U lig geseën
Die lig strooi ek op iedereen
Net U weet hoe my toekoms lyk
Ek het niks, U maak my ryk.

Alle pelgrims keer weer huistoe
Elke swerwer kom weer tuis
Ek verdwaal steeds op U grootpad
Soekend na U boardinghuis.

 

In dit kunstwerk openen beeld en lied samen een weg. 

Een pad met zijpaden, tussen aarde en water,tussen licht en schaduw, tussen aarde en hemel.

Mensen gaan erop voort, ieder in eigen ritme: soms alleen, soms samen.

Pelgrims zijn het—onderweg, zoekend, nooit stilstaand.

De weg kent zijpaden waar je kunt afdwalen of verdwalen, maar de weg naar (T)huis, de weg naar het licht, blijft je roepen, blijft je vinden, laat zich altijd terugvinden. 

De weg is al bereid, maar vraagt telkens weer vertrouwen om verder te gaan.

In het licht aan de horizon tekent zich de letter Beth af: de letter van begin en huis. Geen gesloten vorm, maar een open ruimte, naar voren gericht.

Zoals dit pad: geen cirkel die opsluit, maar een opening die uitnodigt om binnen te gaan, om in te wonen. 

De Beth is de tweede letter van het Hebreeuws alfabet. Haar betekenis is ‘huis’.  Ze zit in het woord Bethel (huis van God) en Bethlehem (broodhuis).

Het woord Beth wordt ook wel vertaald met ‘dochter’. In deze quilt is deze zachte uitnodiging verbeeld: mijn zoon, mijn dochter, kom thuis.

Volg het pad dat ik voor je heb bereid. De zon hangt laag en warm aan de horizon.

Rood en goud kleuren lucht en water: nabijheid die vooruitgaat, een belofte die meegaat.

Vogels trekken over, richting huis. Zij lijken te weten wat de mensen nog leren: dat zwerven geen einde is, maar deel van het thuiskomen.

Het lied geeft woorden aan wat het beeld toont.

God; Vader en Moeder in één. Een God die kent: naam, angst, hoop, grootspraak en klein verdriet. 

God die ziet: strijd en dwaalwegen, en steeds weer richting wijst.

De “pad wat ek so kaalvoet loop” is kwetsbaar en open—maar gedragen. 

 _Alle pelgrims keer weer huistoe._ 

Dat zinnetje rust als een zachte onderstroom onder het geheel.

Het huis is geen gebouw met muren, maar een ruimte van licht en geborgenheid.

Zoals de Beth: een plaats waar het leven begint, waar je binnengaat en tegelijk weer op weg wordt gestuurd.

Zo vertellen beeld en lied samen: over dwalen zonder verloren te zijn, over de weg die al bereid is, ook als we haar nog niet zien, en over God—Vader en Moeder— die elke stap nabij is, zonen en dochters uitnodigend, naar het huis dat altijd openstaat. 

De zwerver, de pelgrim wordt in iedere stap gedragen, richting huis, richting licht, richting begin,

Elke voetstap is een stap naar huis, waar elke adem wordt gedragen, waar alles eindigt en begint.

 

0:00 / 0:00
Op bergen en in dalen
Swinging Christmas
×